Reisverslag deel 11

 

3 april tot en met 29 april 2002

 

Curaçao - Cuba

Lotgevallen van het NB Sailing Team en de tegenslagen onderweg

 

 

Curaçao is voor het NB Sailing Team een wat lange tussenstop geworden. Daar waar we kort dachten te onderbreken voor inkopen en Neerlands trots in de west te bekijken, zijn we wellicht wat lang blijven plakken.

 

In die tijd moest Walters “blondy niceness” (zoals de vrouwelijke bemanning van de Red Popinjay de te lange blonde lokken van de heer Van der Dussen noemde) er nog aan geloven, een taak waar Sindie C. en Carola zich vrijwillig voor aanboden, en moesten er nog boodschappen gedaan worden voor de tijd dat we in Cuba zouden zijn.

 

Voor de rest van de tijd hebben we te veel tijd in Sarifundy’s Restaurant en Bar doorgebracht -Sarifundy’s is een door een Nederlands Horecatype gerund restaurant waar veelal ’s Neerlands patjepeeërs een borreltje kwamen drinken naast de zeilers die geankerd liggen in Spaanse Haven.-  om biertjes te drinken en op maandagavond een videofilm te bekijken (Riding cars with the Boys en Training Day).

Echter via Sarifundy’s reed er ook elke ochtend om 10uur een busje naar een lokale supermarkt. Een service waar we dan ook menigmaal gebruik van hebben gemaakt, wat de supermarkt menige Antilliaanse gulden heeft opgeleverd.

 

Terwijl Richard (Red Popinjay) een weekje naar Amsterdam was om de zijn vriendin te bezoeken, hebben wij de (zeer Engelse) meisjes een zeiltochtje op de NB aangeboden. Gewoon om ze eens te laten zien dat zeilen niet altijd hetzelfde is. Onze boot reageert snel op het roer en accelereert snel, zeker vergeleken met de Red Popinjay. Een zeiltochtje dat eindigde met de boot gemeerd nabij het strand aan de ingang van Spaanse haven, een privé strand. Daar mochten we wel zwemmen (tussen de kleine vierkante kwallen) maar niet op het strand staan. We mochten ons ijsje alleen opeten na betaling van Nfl 6,50 of in het water staande, aldus de bewaker die ons dit kwam vertellen na aanschaf van een ijsje.

 

Uiteindelijk, nadat Sindie C. naar Kopenhagen was teruggekeerd konden de Nira en de NB Curaçao verlaten. Op een zondagochtend vertrok Peter nadat we allen afscheid hadden genomen van onze nieuwe vrinden, na een paar uur gevolgd door ons. (Carola en Heiner waren een paar dagen eerder, na Walters haar geknipt te hebben, al richting Panamakanaal vertrokken).

Het was een prachtige dag om de 630 nM naar Santiago de Cuba te beginnen. Een fijn zonnetje met een matige (dus goede) wind.

 

We hadden ons net geïnstalleerd, de stuurmachine stuurde, met een boekje en onze onafscheidelijke waterflesjes toen we achter ons Curaçao langzaam achter de horizon zagen verdwijnen maar voor ons een zeilboot zagen opdoemen. Zou het de Nira zijn? Ach welnee, deze boot was toch zeker veel groter. Toch maar even oproepen op de radio. En even later werden we zelf aangeroepen. Het was toch de Nira van Peter. Zijn accu bleek niet te werken en hij had al een paar uur de motor lopen omdat hij ‘m niet uit durfde te doen. Met het risico dat hij nooit meer zou starten.

Wat nu, de discussie was; keren we terug of gaan we door.

 

Om het beslissingsproces te versnellen besloten we meer informatie te verkrijgen. Dus op open zee stapte Bram over van de NB op de Nira. Een klusje wat iets eenvoudiger klinkt dan het in werkelijkheid was met twee zeilende boten en haar bewegingen op de golven.

Gewapend met een multimeter toog Bram aan de slag om wederom een technisch klusje te klaren.

De benodigde informatie kwam al vlug, de accu was overleden en zolang we de oorzaak niet wisten zouden we terugkeren naar Curaçao omdat dit de laatste civilisatie voor Amerika was.

Zo gezegd zo gedaan, Bram stapte (beter gezegd sprong) terug op de NB en we keerden terug naar Curaçao waar we om 4u ’s nachts weer arriveerden.

 

De volgende morgen begroetten we vrolijk onze vrienden weer en gingen we opzoek naar een nieuwe accu voor Nira. De volgende dag gingen Peter en Bram naar de generator expert om de alternator van Nira te laten checken.

 

En ’s avonds naar de film om opnieuw onze laatste avond op Curaçao te vieren. Deze film kun je of wel of niet in dit verhaal opnemen. Je neemt het niet op omdat je je schaamt voor het feit dat je zo een slechte film gezien hebt of je neemt het wel op in je verhaal om de rest van je vrienden te waarschuwen niet in dezelfde val van Schaamteloze Amerikaanse zelfliefde en grootheidswaan te vallen.

We kiezen voor het laatste: GA NIET NAAR “WHEN WE WERE SOLDIERS”!!!!. (je zult teksten als: “I’m glad I’m dying for my country” en “Custer was a pussy” echt niet missen, naast het feit dat je ook niet minder zal slapen als je de om de drie scènes getoonde Amerikaanse vlag niet hebt gezien).

 

Eindelijk konden we de daarop volgende dag wel weg. We raadpleegden voor de laatste maal het weer via internet en gingen tegelijk met Nira het zeegat uit.

 

 

De oversteek

 

Zo heerlijk zeilden we drie dagen geleden het zeegat uit, zo abrupt werden we weer terug in de werkelijkheid geworpen toen we al vrij snel door hadden dat deze zeiltocht toch vrij hoog zou gaan eindigen in de analen van meest a-relaxte ervaringen in het jaar 2001-2002 !

 

”Hoe zo?”  zullen jullie denken, Ok, imagine the following.

Waarschip 1010, vol geladen voor anderhalve maand Cuba, windkracht 7 op de neus, overkomende zeeën tot in de kuip, zeer steile en korte golfslag, alles en dan echt alles nat na een dag op zee, kapotte VHF (en daardoor geen contact mogelijk met Nira), geen slaap, Salty Balls en om het hellemaal af te maken : een kapotte stuurautomaat.

 

Nadat we zo drie dagen fijn zeilplezier hadden gehad kwamen we achter Haïti in de meest surrealistische windstiltes tot nu toe, spiegelende zee, hevige regenbuien, fluorescerend water en een klein toplichtje aan de horizon…zou dat Nira kunnen zijn ?

Na menig vruchteloze oproep via de handheld VHF en enkele koers veranderingen richting het lichtje raakte we hem tegen de ochtend weer uit het oog.

 

Maar gelukkig bestaat er nog iets van the good old  US of A en bij het ochtendkrieken kregen we ons eerste bezoek van die dag, al snel scheerde een Gulfstream van de US coast guard over. (Uitleg: US coast guard checkt elk schip wat Cuba aandoet)

Na enige formaliteiten te hebben doorgegeven konden we hun hulp inschakelen om Nira te vinden en na een half uurtje kwamen ze terug met de mededeling dat Nira 8 Mijl ten oosten van onze positie lag. Snel onze zeilen laten zaken, koers aangepast en tegen de middag kon Nira ons in halen.

Na enige vreugdevolle mededelingen via de ether kwam Peter met de nare mededeling dat zijn kat overboord was gevallen achter Haïti en hij hem niet meer terug kan vinden, taai.

 

Maar zoals een oud gezegde, de zee geeft en de zee neemt; die middag ving Nira de grootste Dolphin tot nu toe: 120 cm.

Absoluut te groot voor een persoon en nadat wij de helft hadden overgenomen kon er nog voor een weeshuis worden gekookt.

 

Die avond kregen we ook nog een tweede bezoek van the coast guard deze keer stuurde zij een helikopter die toch best angstaanjagend langs ons kwam zoeven, de vraag is nu wat sturen ze de volgende keer…onderzeeboten ?

 

De wind zakte het laatste stuk hellemaal weg en rustig op de motor voeren we na vijf dagen Santiago the Cuba binnen.

 

Santiago de Cuba    

 

’s Maandagsmorgens bij het op komen van de zon voeren we op de kust aan. Na vruchteloze oproepen aan de havenmeester werden we vlak voor de ingang van de baai opgeroepen door de jachthavenmeester die ons in vlekkeloos Engels toesprak. Vriendelijk werd ons uitgelegd wat er van ons verlangd werd. De haven invaren, ankeren en op de dokter wachten.

 

Eenmaal bij de jachthaven aangekomen (na langs, wat wij later leerden, Fidels’ zomerverblijf, gevaren te zijn) konden we echter meteen aanmeren. Op de Mediterrane manier, anker uit en met de kont tegen het steiger. Vervolgens kwamen alle gevreesde officials langs: Dokter, dierenarts, immigratie, portcaptain, customs en een dame die keek of we geen besmet eten aan boord hadden.

In tegenstelling tot wat we van iedereen gehoord hadden (en waarom we bijna een andere port of entry hadden gezocht) was iedereen extreem vriendelijk en werden de vele formulieren, onder het genot van het door ons aangeboden Amstelbiertje, ingevuld.

 

Dus ’s middags Santiago. En Santiago was fantastisch, oude Amerikaanse auto’s afgewisseld door Tjechische motoren met zijspan beheersten het straatbeeld. Daar waar paard en wagen langs de oude koloniale gebouwen trokken werden we al snel aangesproken door Dennis.

Dennis was student (van de universiteit het leven waarschijnlijk) en had het tot zijn taak opgenomen ons rond te leiden door het stedelijke doolhof.

 

Dit gebeurde met verve, we konden bij Dennis sigaren kopen, dollars wisselen en terecht voor inside information.

Hij loodste ons naar het Seismologisch instituut om te internetten, een restaurantje om kip met gebakken banaan te eten en wist ook nog wel een plaatsje om te stappen.

De volgende avond wilden we wel een stapje in de wereld zetten en na overdag door Santiago geslenterd te zijn spraken we ’s avonds met Dennis af.

 

Eerst gingen we met Dennis en zijn vriend Fernando (een drummer in een merengue band) naar een terrasje om een biertje te drinken. Al snel kwamen er twee dames bij zitten die niet al te zwaar van zeden waren. Na ettelijke biertjes met onze nieuwste vrienden wisten ze nog wel een fijne discotheek. Welnu de Hollands/Nieuwzeelandse afvaardiging had wel zin in een dansje. Dus na een taxirit (waar de dames ook mee moesten) kwamen we in een buitenwijk waar een Salsadiscotheek zat. Voor de deur stond een rij met dames die ons allerliefst aankeken (grote dollartekens in de ogen). Toen begon de bij ons reeds aanwezige twijfel grote vormen aan te nemen. Toch betaald en binnen aangekomen bleek het enige doel van de discotheek te zijn vraag en aanbod met elkaar te verbinden.

Daar stonden we dan; klaar om de lokale bevolking beter te leren kennen en het enige wat we beter konden leren kennen was tegen betaling en tegen onoverkomelijke grote morele bezwaren.

Dus na iets te veel drank gebaarden we Dennis dat we terug wilden (de dames hadden na onze desinteresse andere westerse interesses gevonden) en zo keerden we ongeschonden terug op de boot. Een ervaring rijker en een illusie armer.

Al gauw bleek dat het moeilijk is om de lokale bevolking hier te leren kennen. Men is hier erg arm. De jachthaven bleek halfvol te liggen met middelbare heren die de morele bezwaren niet met ons delen.  Ook in de stad zag je menig middelbare westerling gearmd met een jonge dame die ver buiten zijn bereik zou moeten liggen.

 

Daar Cuba groter is dan Santiago gingen we na drie dagen weer op pad. Om elf uur ’s ochtend klaarden we uit bij de havenmeester met de intentie om naar Guantanamo te gaan, daar dit niet kon (de Amerikanen hebben de baai afgesloten voor alle verkeer, waarschijnlijk met oog op aanslagen en de extremisten die daar gevangen zitten) wilden we door naar Baitiquiri.

 

Bij het varen langs Haïti en aanvaren van Santiago een paar dagen eerder hadden we al wat onregelmatigheden met de motor opgemerkt. In Santiago hadden we het hele brandstofsysteem al nagelopen, olie ververst en filter vernieuwd, maar het probleem niet echt opgelost.

Buiten de baai van Santiago, dook Walter nog onder de boot om te kijken of er iets in de schroef zat zonder iets te vinden.

Uiteindelijk besloten we onder begeleiding van Nira toch verder te varen. Totdat binnen twee uur de wind van geen wind tot windkracht 7 tegen aangewakkerd was besloten we toch maar rechtsomkeer te maken. Peter steunde deze actie en kwam met ons mee terug.

Nu we toch terug waren wilden we gelijk de motor door een professional na laten kijken. In Santiago zit een vestiging van Damen Shipyards (een Nederlandse wervenconglomeraat), te weten DAMEX.

 

Bij Damex werden we te woord gestaan door de Nederlandse Manager Jan. Hij vertelde ons wel te kunnen helpen. En die middag kwam Juan langs. Die haalde het hele systeem uit elkaar en kwam tot de conclusie dat de terugslagklep van de lage druk brandstofpomp lekte.

Nu had Damex de week erop een vlucht uit Nederland, en de onderdelen die besteld werden zouden met deze Damexvlucht uit Nederland meekomen. Gevolg was wel dat we wel een weekje langer in Santiago moesten wachten.

De oplossing was dat we met de trein naar Havana zouden gaan. We moesten toch nog een visum voor Amerika halen en dan konden we meteen de stad zien.

Er zijn drie mogelijkheden om naar Havana te gaan; Bus, Trein en vliegtuig. Wij kozen uit kostenoverwegingen voor de trein.

 

De Trein: men kope een kaartje tegen $ 30,- enkele reis (Cubanen betalen 30 pesos (ong. 1 dollar)) en wacht daarna vier uur voor de trein vertrekt.

In de trein zitte men op stoelen die sinds 1959 niet meer zijn schoongemaakt en probeert men 14 uur lang de stank van de toiletten te negeren tezamen met elke aandrang tot de grote boodschap.

Na 14 uur kome men gebroken de volgende morgen in Havana aan.

 

 

La Habana 

 

In Havana zijn we direct naar de “US interest section” van de Zwitserse ambassade gegaan om uit te zoeken of we een visum konden krijgen.

Voor de ambassade stond een gigantische rij Cubanen te wachten. Verder was de ambassade omringd door Cubaanse militairen die al boos beginnen te kijken als je de straat naar de ambassade over wilt steken. Nee eerst melden bij de eerste wachtpost. Dan mag je doorlopen naar de ingang waar blijkt dat niet iedereen gelijk is in Cuba. Wij westerlingen hoefden niet in de lange rij te gaan staan maar mochten direct doorlopen (via de metaaldetector) naar de balie. Daar kregen we de aanvraagformulieren mee met de mededeling ons morgenochtend om 8.30u weer te melden met ingevuld formulier en pasfoto.

 

Na ingecheckt te zijn in ons hotel begon, wat de geschiedenis in zou gaan als; de middag van de pasfoto. De eerste winkel waar we kwamen had geen stroom, de tweede maakte pasfoto’s met een gewone spiegelreflexcamera (die foto’s zouden de volgende dag pas klaar zijn), de derde winkel maakte geen visa pasfoto’s, de volgende winkels gebruikten ook een spiegelreflex systeem (volgende dag pas klaar) en de laatste winkel had geen materiaal meer. Ten arrenmoede keerden we terug naar de eerste winkel waar ze nu wel stroom hadden en binnen vijf minuten waren alle drie voorzien van een pasfoto. De rest van de middag hadden we vrij om de stad een beetje te bekijken (na een klein tukje gedaan te hebben in het hotel).

 

Havana is een prachtige stad, op sommige momenten waan je je weer in Europa. Die momenten duren over het algemeen vrij kort omdat er dan wel iemand om geld komt bedelen of je haar diensten aan wil komen bieden.

Havana heeft een prachtige gebouwen en majestueuze straten. Veelal in verregaande staat van ontbinding. Hoewel veel in oud Havana wordt opgeknapt met Europees geld.

 

De volgende morgen werd doorgebracht op de ambassade. De Cubanen stonden er al voordat we aankwamen. Weer hele groepen met ingevulde formulieren, pasfoto’s en geld (visum kost $45,-) in plastictasjes of insteekhoesjes.

Terwijl we zaten te wachten (Peter, wij en twee Franse yachties) hoorden we af en toe blijdschap achter ons als er weer een groep Cubanen een visum hadden gekregen. Ook wij kregen aan het eind van de ochtend ons visum.

 

Terug in het hotel bewonderden we ons visum waarop Bram erachter kwam dat het paspoort nummer op zijn visum totaal niet leek op het paspoortnummer van zijn paspoort. Terug dus, weer even twee en een half uur Ambassade.

Walter en Peter gingen ondertussen naar het Museo del Revolucion. Waar je als onwetende bezoeker niet veel wijzer wordt behalve hoe het gereedschap van Juan Fernando Revolutionair er uit zag waar hij voor de revolutie mee gewerkt had. Een fijn communistisch propagandapaleisje was het, zonder bijster veel informatieve waarde.

 

Na nog een dagje door Havana geslenterd te zijn hadden we het wel weer gezien met de door de armoede veroorzaakte opdringerigheid.

 

Terug de vieze trein in, terug naar Santiago. Deze keer werd de stank in de trein nog overstemd door een toerist die zijn “fijne” reggae wilde delen met de rest van de coupe.

 

Terug in Santiago de Cuba   

 

In Santiago wist jan (de Damex manager) ons mede te delen dat de onderdelen aangekomen waren maar nog niet ingeklaard waren door de douane.

 

De volgende dag kwam hij ons vertellen dat ze ingeklaard waren maar dat ze uit Nederland de verkeerde brandstofpomp op hadden gestuurd. Dat zou weer een week wachten worden.

 

Ware het niet dat we op de ochtend van dit schrijven er achter komen dat in Nederland niemand werkt omdat het de dag voor koninginnedag is en morgen is het koninginnedag terwijl de dag erna de vlucht al vertrekt. Geen tijd meer dus. En nu???????????

 


Benieuwd geworden naar de andere reisverhalen vanaf het begin?

 

 

 

Klik hier voor:

- deel 1 van 16 oktober tot 25 oktober 2001 'Vertrek'

- deel 2 van 25 oktober tot 5 november 2001 'Spanje'

- deel 3 van 5 november tot 6 december 2001'Op weg naar las Palmas'

- deel 4 van 7december tot 8 januari 2002 'De Oversteek'

- deel 5 van 8 januari tot 13 januari 2002 'Barbados'

- deel 6 van 26 januari tot 31 januari 2002 'Grenada-Trinidad'

- deel 7 van 31 januari tot 28 februari 2002 'Venezuela'

- deel 8 van 29 februari tot 15 maart 2002 'Naar de Nederlandse Antillen'

- deel 9 van 17 maart tot 25 maart 2002 'Bonaire'

- deel 10 van 26 maart tot 1 april 2002 'Bonaire - Curaca'

- deel 11 van 3 april tot 29 april 2002 'Curacao - Cuba'

- deel 12 van 13 mei tot 3 juni 2002 'Cuba - Fort Lauderdale - Bermuda'