Reisverslag deel 12   

 13 mei tot en met 3 juni 2002

Cuba - Fort Lauderdale – Bermuda

Ronden van Punta Maisi, weg van de zuidkust

 Uiteindelijk werd door gebruik te maken van Lada-onderdelen ons verblijf in Santiago eerder afgebroken dan gevreesd.

Maar nu stond het gevreesde ronden van Punta Maisi voor de deur.

Punta Maisi is de uiterste oostelijke punt van Cuba. De kust is hier hoog en de zee splitst zich richting Haďti en richting Bahamas. De monteurs van Damex spraken al met zeer veel respect over deze kaap. Ook voor commerciële schepen een moeilijk punt.
We hadden het vooruitzicht van wind en stroom tegen. Kortom; hoge steile golven, geen snelheid, afzien.

Omdat ’s nachts de wind wat gaat liggen vertrokken we aan het begin van de avond uit Santiago voor het stuk varen naar Baitiquiri. Een plaats waar we volgens de officiële richtlijn niet eens heen mochten van de autoriteiten. Als je echter wilt vermijden dat je overdag met sterke tegenwind en tegenstroom langs de rotsachtige Cubaanse zuidkust vaart dan zul je echter in Baitiquiri moeten stoppen om overdag wat te slapen en je mentaal voor te bereiden om het ronden van de kaap.


Wonder boven wonder hadden we deze keer wel geluk het hele stuk langs de kust hadden we vrijwel geen wind. 
Je komt ondertussen langs de Amerikaanse Marinebasis van Guantanamo, waar alle Al Quaida strijders zitten opgesloten. 
Je moet daar dan ook 5 mijl uit de kust blijven omdat dit beschouwd wordt als Amerikaans territorium. Doe je dit niet, zoals het jacht achter ons, dan krijg je allerlei vervelende vragen over de VHF over wie je bent, wat je doet en of je niet als de sodemieter uit de Amerikaanse sector wilt oprotten.


Daar hadden we, gezagsgetrouw als we zijn, gelukkig geen last van. En een saaie nacht motoren werd ’s ochtends afgesloten met het, onder begeleiding van een paar zeer grote dolfijnen, binnenvaren van de baai van Baitiquiri. 
De wind begon buiten op zee alweer op te steken maar Baitiquiri is een windarme en daarom zeer warme baai. We besloten dan ook om dicht bij de ingang van de baai te ankeren om beschut te liggen van de golven maar wel een beetje verfrissing van de wind te krijgen.


Na het laten vallen en controleren van het anker konden we moe doch voldaan proberen wat te gaan slapen.
We lagen nog niet in onze bedjes of we werden er al weer uitgejaagd door het geluid van een motorbootje; de autoriteiten.
Twee mannen van de Guardia Frontera, die net zoveel Engels spraken als wij Spaans, kwamen aan boord met een local die drie woorden engels sprak en de visserman wiens bootje gebruikt werd.
Uiteindelijk werd de boot weer doorzocht, onze cruisingpermit werd voor de duur van ons verblijf in beslag genomen en we moesten verankeren. We moesten dichter bij de Guardiapost liggen zodat ze ons in de gaten konden houden. Weg frisse wind.
Ook mochten we de wal niet op. Een maatregel die geheel stoďcijns door ons begroet werd omdat er werkelijk niets te zien was op de wal dat enigszins aantrekkelijk was om te bezoeken. Het was een hete, droge en kale baai.

We gebruikten de resterende tijd voor ons vertrek om te slapen/rusten en ’ s middags op de afgesproken tijd kwamen de mannen van de Guardia weer om onze cruisingpermit in te vullen en om ons toestemming te geven om te vertrekken.

Ook de tweede nacht tot Punta Maisi hadden we geluk, vrijwel geen wind en beperkte stroom tegen. Ook het ronden van Punta Maisi was niet zo erg als het had kunnen zijn. Bram stuurde de boot vakkundig over de 20 meter dieptelijn langs de donkere kust. De boot slingerde als een gek maar ging nog wel vooruit. Als je echter te ver uit de kust ging kreeg je de volle stroom tegen en was het gebeurd met je snelheid.
Toen Walter aan de beurt was om te sturen was het ergste voorbij en werd het langzaam licht. Punta Maisi was gerond.

’s Ochtends voeren we Baracoa binnen, waar Peter/Nira nog op ons lag te wachten. Ook Eric met zijn Chinese pleegdochtertje, die we lag nog in de baai van Baracoa geankerd.


Baracoa, Cuba


In Baracoa kwam de hele bende officials weer aan boord. Deze keer in een nog veel armoediger bootje dan in Baitiquiri, waarvan het 4m open houten vissersbootje een luxe jacht was vergeleken met de halve polyester roeiboot, voortbewogen met een roeiriem, waar de 7 officials in Baracoa mee aan boord kwamen.
De officials hier waren echter zeer vriendelijk en we werden, nadat weer de boot doorzocht werd, zonder problemen welkom geheten in Baracoa.

Baracoa is een verademing na alle zeurende mensen in Santiago. De tweede dag zijn we met Peter, Rose (bemanningslid van Eric), Eric en zijn dochtertje Lilian gaan fietsen met gehuurde fietsen naar El Yungue. De lokale tafelberg.
Onderweg hebben we gezwommen in een riviertje en de lokale wegen getrotseerd met onze Chinese Flying Pigeon fietsen. Een het landschap hier was een mooie afwisseling met de andere eilanden die we gezien hadden. En ondanks het zeer harde plastic zadel was het leuk om weer eens te fietsen.

El Yungue was weer een waar staaltje van Cubaans Kapitalisme. Daar aangekomen was er een soort camping aan het eind van de weg. Hier werden we begroet door twee Cubanen die ons vertelden dat de berg in een nationaal park lag en dat het $ 15,- per persoon zou kosten om de berg te beklimmen. Voor dat geld krijg je er natuurlijk wel een gids bij, maar moet je nog steeds zelf de berg beklimmen.


Maar goed, $ 15 vonden we wel een beetje heel veel geld voor een bergje van onder de 1000 meter. De Nederlanders in het gezelschap (wij dus) waren zelfs helemaal niet van plan iets te betalen voor het beklimmen van een berg. En een gids hadden we zeker niet nodig.
Na veel overleg wilden we $ 5, pp betalen en dat werd ook geaccepteerd door de uitbaters van het park. En met gids en al gingen we op pad.


Het beklimmen van El Yungue was een niet noemenswaardige gebeurtenis. Om de beurt werd Lilian gedragen nadat Eric wel heel erg moe werd van het dragen van de 3 jarige peuter. En de top bevatte een borstbeeld van dhr Macao, een Cubaanse revolutionaire/historische held. Het uitzicht was door het beroerde licht niet echt mooi, ondanks het groene landschap. Wel staat er op de berg een palmboomsoort die alleen op El Yungue voorkomt. Het is maar dat je het weet.


Op de terugweg naar de camping hebben we nog in een 4 meter diep meertje gezwommen, met kraakhelder zoetwater. Een rare belevenis als je al 8 maanden in zoutwater zwemt. Dan geeft zoetwater opeens wel een rare smaak op je lippen. Hier verasten we ook nog een zwaar verbrande (dus) Engelse dame met haar Cubaanse loverboy.
Met terugfietsen kreeg Peter nog een lekke band, terwijl het Hollands duo al lang en breed bij de fietsenverhuurder zat te wachten op de terugkomst van haar kameraden.

Terwijl wij in Baracoa waren was het op zee weer hard gaan waaien, wat maar weer onderstreepte hoeveel geluk we met het weer hadden toen we Punta Maisi rondden. Het had twee dagen niet gewaaid, net toen wij de punt rondden.


De rest van de Cubaanse kust en “the great Lobsterstory”

Na drie dagen Baracoa hadden we het wel gezien en zijn we verder naar het noorden gaan zeilen. Eerst een dag/nacht tocht om wat mijlen te maken, waarna we aankwamen in (Bahia de) Manati. 
Manati heet een havenstad te zijn. En jawel er was een groot betonnen steiger met daarachter twee verroeste opslagtanks. We ankerden achter de steiger in harde wind. Het halve dorp kwam kijken wat er gebeurde en kon de NB zien worstelen met een krabbend anker. Na drie ankerpogingen lagen we goed en het was tijd voor de lokale autoriteiten om ons m.b.v. een vissersbootje met een bezoek te vereren.


Wederom waren het vriendelijke mensen en de boot werd deze keer niet doorzocht. Een blik was voldoende om te zien dat dat in onze volgepropte boot nog wel eens meer werk zou kunnen zijn dan waar je zin in hebt aan het einde van de dag. 
In Manati gingen we even aan de wal om rond te kijken en een koud biertje bij de lokale zeecontainer met bar. Manati, zagen we al snel, is niet mooi. Na enige zwart/wit foto’s te hebben gemaakt keerden we terug naar de boot waar we met Peters wankele rode bijbootje terug gingen naar onze boten.

De volgende morgen vertrokken we met het opkomen van de zon. Een mooi moment om nog wat meer zwart/wit fotootjes te schieten vanaf de boot.
Hier werd echter de fout gemaakt om de camera niet onmiddellijk daarna binnen te leggen maar beschut in de kuip. Zodra we de baai uitvoeren kwam een grote golf over de boot en maakte alles nat, incl. de camera. Dag Camera.

Peter wist ons vlak voor vertrek mee te delen dat er een Nederlands politicus was neergeschoten. Wie wist hij niet. ’s Middags wist hij dat het PF was. Raar om zulk nieuws in het buitenland over Nederland te horen. 

We gingen op weg naar de onbewoonde eilandjes aan de noordoostkust.

Dat ging gepaard met veel voor de wind zeilen en moeite doen om niet te snel van Nira weg te zeilen. De NB was ondertussen zo licht geworden, nu het meeste blikvoer op is, dat ze aanzienlijk in snelheid wint. Dan kun je je ook wel wat van de verhalen van Henk Jukkema (www.waarschip.com) voorstellen over wat een Waarschip 1010 allemaal voor snelheden kan bereiken. En dat een Waarschip 1010 niet echt de boot is om mee te toeren (nu hadden we dat ook al wel gemerkt).

Op de Cayo’s kregen we de laaste kans om nog eens echt te genieten van het Caribische/tropisch zeilen; Heerlijk weer, goede wind, ankeren achter atolletjes, vis voor het “grijpen” (met of zonder spear gun), maar er was en is altijd een maar en deze keer was het…… kreeft. Al bijna 5 maanden aan het spelen in het grote aquarium genaamd Caribische zee en nog steeds was de kreeft de grote mythe en gelijk ook de trofee die hoe dan ook binnen gehaald moest worden.
Nu staat Cuba genoteerd als de plek voor kreeft in het Caribische gebied dus het moest en zou deze keer lukken….!!!

Een ding hadden we echter met elkaar af gesprokken, alleen kreeft, ook al zijn de snappers, Groupers, Permitts nog zo groot. Don’t be tempted…lobsters we are after this time !!
En dat was taai, nog nooit zulke grote Snappers gezien !!! 

Na menig vreugdeloos heen en weer gesnorkel achter het rif, waarbij geen enkele lobster zich ook maar liet zien werd er besloten om enige reconnaissance missies dieper achter het rif te ondernemen.
Nu hebben we daar zo langzamerhand een goede strategie voor ontdekt, men neme een dinghy, lang touw en een vrijwilliger incl. duikbril. De vrijwilliger was Peter deze keer en al snel hing hij met het touw achter de dinghy en konden we met hem al slepend een groter gebied doorzoeken op zoek naar kreeft.

Na een half uurtje vreugdeloos rond te hebben geprutteld kwam peter met de bevrijdende woorden…”shit guys lobster !!!….but god damned they are stuck in a tyre.” 
Ach ook al zaten ze in een Russische T-72 tank, those Cubans are ours !!
Dus terwijl de adrenaline ons tot een toch hyper zooitje bracht werden de spear guns geladen en zouden we deze jongens eens krijgen.

Eerst Peter naar beneden…mis
Geen gepuss laat mij het maar doen…mis
Ja ja die fout ga ik niet maken, walter….mis.

Puntje bij paaltje, onze drie spears zitten vast dwars door de band heen en onze cuban guys gaven ons de bekende “bird”.

Maar we zouden ze krijgen, dus Peter en Walter bleven onze kameraden gezelschap houden terwijl Bram blčrend met de 2 Pk (?!) op weg ging naar de bootjes, want oef we hadden nog een roestige reserve spear.

Nadat deze geladen was werd de tactiek ietwat veranderd, Walter zou ze er uit jagen terwijl Bram zijn marksman skills kon laten zien.
Nou leek het boven water zo’n simpel plan, toch hadden we nog een uurtje watertrappelen, vloeken, duiken, mikken, missen nodig voordat we dan eindelijk de twee cubaanse jongens in de dinghy hadden liggen.
Een probleem op gelost, nu lag alleen nog een vrachtwagen band incl. drie spear guns op 6 meter diepte.


Ach wij jongens van De Wit, die al vroeg droomden van slepers, bergen en het conglomeraat “Salvage Dussen en de Kruijff” konden dit klusje wel klaren.
Dus al snel werd de band onder de dinghy gehesen (a la de Koersk) en werd er koers gezet richting strand.
Nadat we de laatste meters nog met wat kunst en vliegwerk hadden overbrugd konden we na drie uurtjes lobster story dan eindelijk de wel verdiende trophy foto schieten. Klik hier voor het bewijsmateriaal! 
De spears gingen er wonder boven wonder vrij snel uit en nadat we Feyenoord op de wereldomroep de UEFA beker hoorden winnen, genoten wij die avond van kreeft, rum en het leven. Just another day in paradise.


Vaarwel Cuba

Uiteindelijk zouden de wegen van Nira en NB zich definitief gaan scheiden. Peter moest door naar Havana (Marina Hemmingway) waar Heiner (die we voor het laatst in Curacao hadden gezien) een set kaarten van Amerika voor hem heen had gestuurd. Peter had besloten niet terug te gaan naar Europa en zijn boot in Amerika te gaan verkopen. Zodat hij terug naar Engeland kon om nog wat meer te verdienen en dan in Nieuw-Zeeland een grotere boot te kunnen kopen.

En wij moesten door naar Fort Lauderdale om de boot klaar te maken en te provianderen voor de oversteek naar Europa (via Bermuda en de Azoren). En we moesten i.v.m. het naderende orkaanseizoen daar niet te lang meer mee wachten.
Bij Cayo Cocos (?) hebben we het laatst samen geankerd en gegeten, waarna er verschillende rummixjes gedronken werden om het afscheid te “vieren”. Een rare gewaarwording na bijna 3,5 maand min of meer samen gevaren te hebben.

De volgende dag vertrok Peter vroeg voor twee nachtzeilen naar Havana en wij vertrokken ’s ochtends naar de “havenstad” Caibarien om uit te klaren.
Caibarien staat zelfs in mijn Lloyds Maritime Atlas als havenstad en Peter’s franstalige pilot toonde ook aan dat er douane en een port captain zat. Toen wij er echter na drie uur motoren aankwamen, kwam er een motorboot met drie heren van de Guardia Frontera op ons af. 


Nadat ze aan boord kwamen vertelden ze ons dat we hier niet uitkonden klaren maar dat we of 60nM terug moesten of nog 70nM door moesten varen voor we bij een plek kwamen waar dat wel kon.
Verder werd de boot doorzocht. Eerst op zijn Cubaans maar dat was niet naar de zin van de militaristische chef en vervolgens dus wat grondiger.
Toen werd er gevraagd wanneer we dan weer weg wilden varen, zeiden we dat we dat meteen na de lunch zouden doen, omdat we geen enkele zin meer hadden om op die plaats te blijven na de onaangename Guardia Officier. Dus men bleef aan boord zitten tot wij onze soep met brood naar binnen hadden gewerkt, daarna werd de cruisingpermit getekend en we gingen weer weg uit Caibarien. We hebben Caibarien nooit van dichterbij gezien dan van de ankerplaats.
Terug naar de Cayo waar we op de zelfde plek als de nacht ervoor ankerden alleen nu zonder Nira. 

We hadden al besloten dan maar zonder uitklaren naar Amerika te vertrekken. We hadden ook een goed excuus vonden we. We hadden de kaarten al met Peter meegegeven en het was niet veilig om zonder kaarten langs alle riffen te varen dus was het veiligste om dan maar rechtstreeks naar Fort Lauderdale, Florida te varen.

’s Avonds maakten we de boot klaar voor 35 uur heftig zeilen en op de hand sturen. Het waaide de afgelopen dagen al flink en toen gingen we voor de wind. Nu zouden we met halve wind te maken krijgen en dat kon nog wel eens een natte bedoeling worden. Dus 2 riffen in het grootzeil, de genua eraf en de fok erop en binnen alles zeevast gezet. Verder plakten we de handheld GPS op de handrail vast zodat de roerganger altijd kon zien waar die zat ten opzichte van de koerslijn.

De volgende morgen vertrokken we vroeg. Niet naar het westen maar pal naar het noorden, langs de radarpost van de Guardia Frontera.
De wind was lekker maar nog niet hard. Maar gezien onze ervaringen pasten we het zeilplan nog niet aan, want ’s middags ging het altijd harder waaien. Behalve die dag.
De wind zakte meer en meer weg en op het laatst zeilden we met het volle grootzeil en de halfwinder, tot ’s nacht het laatste restje wind weg viel. Dobberen.
De volgende morgen ging het zo door en werd de motor gestart en de zeilen naar beneden gehaald.
Vlak voor een grote wind/regenbui.

Na de Bahamabank werd de Golfstroom opgepakt en gingen we twee keer zo snel over de grond dan door het water. Al snel kwamen de wolkenkrabbers van Miami in zicht. “Welcome to the Sunshine State”.
Bram kon hier eindelijk zijn tri-band GSM weer gebruiken die tot zijn frustratie voor het laatst in de Canarische eilanden hand gewerkt.

Langs de kust van Florida zagen we de regenbuien al over de flatgebouwen gaan. En toen we ’s avonds bij Fort Lauderdale (alle steden gingen langs de kust naadloos in elkaar over) aankwamen kwamen ook wij in de regen terecht. Een keiharde bui waarin we niets meer om ons heen zagen en zelfs dure zeilkleding niet meer alle warmte vasthoudt. 
Uiteindelijk konden we na de regen een cruiseschip de moeilijk te vinden havenopening van Port Everglades (zoals de haven van Fort Lauderdale officieel heet) binnenvaren.


De Jachthaven - Fort Lauderdale

We hadden nu het ergste gehad. Er zouden zo’n 20 marina’s in Fort Lauderdale zijn dus een slaapplaats moest geen probleem zijn.

Helaas; zo eenvoudig als onze Pilot het ons voorschotelde, zo eenvoudig was het niet.
Allereerst werd vlak voor onze neus de brug dicht gegooid, terwijl we achter een andere zeilboot aan wilden varen.

In Amerika werkt zoiets dus niet zoals in Nederland zoals dhr Van der Dussen weldra uitgelegd kreeg van de uiterst irritante brugwachter. Afijn, na een kwartiertje rondjes draaien voor de brug ging deze toch nog voor ons open. Toen bleek dat we er ook ongeopende onder door hadden kunnen varen omdat de hoogte die in de pilot genoemd stond niet meer klopte. Die brug was inmiddels door deze nieuwe vervangen. Maar in de nacht na 40 uur op de hand sturen heb je niet zoveel zin meer om de doorvaarthoogte van die nieuwe brug van voeten om te rekenen in meters. Tot frustratie van de brugwachter die ons nog sarcastisch meedeelde dat we er best zonder opening onderdoor hadden gekund. “Welcome in the sunshine state”.

Ten tweede; Fort Lauderdale is best wel groot. Daar kwamen we achter nadat we de brug gepasseerd waren. We waren moe, het was donker en we verwachten ondertussen lekker te kunnen slapen, maar waar? Na veel rondvaren en zoeken, zijn we dan uiteindelijk ook maar in een jachthaven gaan liggen en gaan slapen.


De volgende morgen ging Bram naar het kantoor van de Bahia Mar Marina (uit te spreken als Bheeehja Marr Yachting Centre, tja rare jongens die Amerikanen) om te betalen. En dat deed hij; $ 75,- voor een nacht. En dan waren we nog gematst ook, normaal hadden we $ 95,- voor een nacht moeten betalen. Hierbij verbleekte de tarieven van Club Nautic Cambrills als waren dat simpele fooitjes voor een Spaanse Havenarbeider. De Marina’s van de Engelse zuidkust zijn hierbij vergeleken een Aldi.
Het was duidelijk dat wij, ondertussen niet bijzonder draagkrachtig meer, (om maar eens een understatement te gebruiken) dit geen week vol konden houden.
Dus meteen op zoek naar een volgende jachthaven. Na wat rondbellen konden we terecht in de Fort Lauderdale gemeente Marina. Dit zou relatief de goedkoopste in Fort Lauderdale zijn. (nog steeds ong. $ 30,-/nacht).

Dus wij varen een of ander smal riviertje op, en na een uurtje varen verteld een agent van de waterpolitie ons dat we pech hebben omdat de een of de andere brug die we door moeten om er te komen gesloten is tot de volgende morgen.
Dus we varen dat hele zelfde riviertje weer terug op zoek naar een andere betaalbare Marina. 
Ondertussen ervaren we de onvoorspelbaarheid van de Intercoastal Waterway. Nog niets een buiten de bebakening varende lopen we zo gruwelijk hard aan de grond dat we spontaan allebei voorover tuimelen en .
Meteen maken we daarna kennis met de behulpzaamheid van de Amerikanen. De NB zit keihard aan de grond en alle Amerikaanse bootje varen al kijkend langs, niemand bied hulp aan.
Walter over boord gaat de schade bekijken. Uiteindelijk is er geen schade maar zijn we een rand opgevaren en daarop zitten we nu vast. Maar met enkele behendige manouevres krijgt Bram, in samenwerking met de dwarscheeps heen en weer lopende Walter, de nu slingerende boot weer los.

Afijn, om een lang verhaal iets minder lang te maken. We hebben de hele dag over de Intercoastal Waterway heen en weer gevaren op zoek naar een jachthaven om aan het einde van de dag in Hollywood, Florida bij Ruffy’s Marina uit te komen. Ook duur, maar relatief gezien het beste wat we konden vinden.

’s Avonds moesten we ons meteen melden bij immigrations. Mark onze taxichauffeur bracht ons daar snel ondertussen pratend over wat een bizar land Amerika toch was (15 % van de wereldbevolking en 12 % van de assholes ter wereld is Amerikaan, Amerikanen zijn te dik, dom en houden geen rekening met anderen aldus onze taxichauffeur. Op de terug weg zou hij ons vertellen over zijn vrouw de filmactrice die (wij dachten eerst dat ze in het segment der volwassenenfilms speelde) erg in de Heer was).
Immigratie was snel gedaan, maar wat ons die avond wel leerde (naast de informatie van de taxichauffeur) dat een auto huren aanmerkelijk goedkoper is dan een taxi. (openbaar vervoer hebben we nooit gezien.)

Kort en goed, een week brak aan waarin we veel klusten, genoten van het consumentenparadijs dat Amerika toch is en alle kapitalistische symbolen bezochten die Amerika kent: Burger King, the Mall (StarWars en Spiderman gezien) en de grote supermarkten.

Ondertussen hadden we van Peter geleerd dat hij toch met ons de Oceaan over ging steken, omdat hij in Havana zoveel Amerikanen tegen was gekomen dat hij verwachtte zich niet al te lang in Amerika te kunnen zijn  zonder al te grote ergernissen. 
En na een halve week stond Peter dan ook ’s ochtends vroeg bij ons op het steiger.


Vertrek naar Bermuda

Sinds de dag dat we aankwamen in Fort Lauderdale hielden we regelmatig via Internet het weer in de gaten voor de oversteek naar Bermuda.
Dat zag er de eerste keer dat we keken nog goed uit. Sindsdien niet meer.

Ondertussen vertelde iedereen die iets met boten te maken had dat het orkaanseizoen er aan zat te komen. En nadat we op een breedbeeldscherm in een jachtenwinkel “the Perfect Storm” hadden zitten kijken begonnen we ons toch een beetje zorgen te maken. Volgens onze informatie, uit de Pilot, waren we wel op tijd maar dan moest de wind wel draaien anders kwamen we niet weg uit Florida.

Na een paar dagen gewacht te hebben, de boot was ondertussen volledig afgetopt met snackjes voor onderweg, besloten we dat we weg konden.
De eerste dag zouden we wind tegen hebben, maar stroom mee. Dat zou onplezierig worden maar daarna zou de wind draaien en zou het goed gaan.

En met twee knopen door het water, een hevig stampende en buizende NB, gingen we met vijf mijl snelheid over de grond (met dank aan de Golfstroom) richting het noorden om de Bahama’s heen.
Achter ons lieten we Florida met haar bizarre inwoners; Joe, de Marina baas die te veel naar The Godfather films had gekeken, Jimmy en Rod, de veelal compleet stoned, voormalige Marihuana smokkelaars en alle andere aparte figuren. Terug naar de werkelijkheid, terug naar Europa.

Na een dag varen draaide de wind wel, maar dan negatief gezien met ons mee; toen wij om de Bahama’s heen wilden draaien, draaide de wind ook zodat ie nog steeds tegen was. Dan maar aan de wind zeilend hoogte winnen.
Al met al waren de eerste twee dagen meer dan onplezierig. Alles binnen werd nat van de overkomende zeeën, je bedje, je zeilpak (aan de binnenkant), je kleren in de kast, etc.

Maar toen viel de wind weg.

En op het moment van het typen van dit verhaal zijn we 45 nM van Bermuda verwijderd en hebben we het grootste deel van de achter ons liggende 850 nM op de motor gevaren. Af en toe zeilend, maar elke dag wel minimaal 8 tot 11 uur op de motor varend.

Op naar Bermuda, daar waar we: gas moeten halen, omdat in heel Amerika geen Campingaz te krijgen is. Diesel, omdat we heel veel verstookt hebben en omdat er bij de Azoren geen wind is. En drinkwater, omdat onderweg bleek dat het Amerikaanse drinkwater na een paar dagen een plasticsmaak krijgt. En dan snel door naar de echte oversteek; 1850 nM van Bermuda naar de Azoren, meer dan twee weken op de Oceaan.